"Niemand
zal in deze tijd ontkennen dat wij zorgvuldig met ons leefmilieu moeten
omgaan en iedereen realiseert zich dat milieuwetgeving de enige manier
is dat wij dat ook doen. De regelgeving en het daarbij behorende beleid
moet wel realistisch zijn en gebaseerd op juiste argumenten en niet op
aannames en theoretische modellen.
In
Nederland is het bodemsaneringsbeleid in een reeks van jaren tot stand
gekomen, waarbij in de beginjaren hoofdzakelijk op basis van normen werd
gesaneerd. De strikte toepassing van de normen leidde tot veel onbegrip en frustaties bij ondernemers alsook
saneerders. De eersten begrepen niet dat zij, ondanks de verwaarloosbare
risico’s, hun bedrijfsterreinen tegen hoge kosten moesten laten
schoonmaken, terwijl de laatsten in veel gevallen onmogelijk de gestelde
terugsaneerwaarden binnen de gestelde tijd en kosten konden halen.
Vanaf
het midden van de jaren 1990, toen de paragraaf over bodemsanering in de
Wet bodembescherming werd opgenomen, is het beleid drastisch veranderd.
Niet langer de norm, maar de beoogde functie van de bodem in een gebied
werd bepalend voor de gewenste bodemkwaliteit. Daarnaast werd
onderscheid gemaakt tussen ernst en urgentie van de sanering en de
daaraan verbonden risico’s.
In het
nieuwe millenium tenslotte heeft de risicobenadering nog meer aandacht
gekregen. De afweging over het milieurendement en de kosten van
maatregelen in relatie tot de resterende risico’s bepalen op dit moment
de mate van de saneringsinspanningen. Er mag een "restverontreiniging"
achterblijven, indien kan worden aangetoond dat die stabiel is en niet
meer in omvang toeneemt. Voor het bereiken van deze "stabiele
eindsituatie" wordt een (realistische) periode van 30 jaar gehanteerd”.
Reinout Lageman, Directeur en Adviseur